DE GRIEKS-MELKIETISCHE KATHOLIEKE KERK                        

 

       HISTORIEK        

       In tegenstelling met de andere, al dan niet katholieke, Oosterse Kerken, is de Melkietische Kerk geen nationale Kerk.  Het is een “particuliere Kerk”, in de canonische zin van het woord, verspreid over geheel het Arabische Nabije-Oosten en in een diaspora die gestadig in uitgestrektheid toeneemt.  Zij is de wettige erfgename van de drie Apostolische Zetels : Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem.  Haar ontstaan valt samen met de verkondiging van het Evangelie in de Grieks-Romeinse wereld van het oostelijk Middellandse-Zeegebied en met de verspreiding van het Christendom  over de grenzen van het Romeinse Keizerrijk heen.  De vorming van de Patriarchaten van Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem, de eerste twee bij het Concilie van Nicea (325) en het derde te Chalcedon (451), hebben deze Kerk gestalte gegeven en gevormd tot een territoriale en juridische entiteit.

        De Melkietische Kerk dankt haar hoedanigheid van “particuliere Kerk” zowel aan haar trouw aan het Byzantijns Keizerrijk als aan haar trouw aan de eerste zeven Oecumenische Concilies.  Haar naam van “Melkietische Kerk” kreeg ze echter pas op het einde van de V-de eeuw.  Hij werd haar als spotnaam gegeven door haar tegenstanders, de Monofysieten, om haar trouw aan Keizer (“Malka” in het Syrisch) Marcianos, die het concilie had bijeengeroepen, en aan het Concilie van Chalcedon te brandmerken.  Die naam is het waarmerk geworden van haar “orthodoxie” jegens de “Catholica”.

* * * * * * *

       De Arabisch-Islamitische verovering in de VII-de eeuw, plaatste op enkele jaren tijd het gebied van de Melkietische Patriarchaten onder niet-christelijke heerschappij.  Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem liggen in Islam-gebied tot aan de Ottomaanse overheersing van 1516.  Op zeldzame uitzonderingen na ondergaan de christenen geen vervolging, maar hebben wel te lijden onder plagerijen en verknechting : voortaan zijn zij “dimmis”, “beschermden” (die “tienden” moesten betalen om hun veiligheid te verzekeren, schatplichtigen).  Gelaten en moedig nemen zij hun nieuwe rol op zich als getuigen van Christus onder de Islam.  Nu zij niet meer in de mogelijkheid zijn nog een politieke rol te spelen, richten zich de Melkieten – zoals overigens ook de Jakobieten en de Nestorianen, - op vrije beroepen, vooral de geneeskunde, en worden zij de bewerkers van de vertaling in het Arabisch van het wijsgerig, geneeskundig en wetenschappelijk erfgoed van het antieke Griekenland.

 

       De herovering van Antiochië door Byzantium zal maar goed een eeuw duren (960-1085).  Zij had als gevolg de byzantinisering  van de liturgie van de drie Patriarchaten.  De aanpassing aan de liturgische gebruiken en gewoonten van de keizersstad zal in Antiochië ongeveer voltooid zijn op het einde van de XIII-de eeuw.

 

       Voor wat echter de luister die de oecumenische troon omringde niet kon bewerkstelligen, namelijk de Melkietische Kerk meeslepen in het “Schisma”, hebben de Kruisvaarders het pad geëffend.  Inderdaad, Latijnse Patriarchen en Bisschoppen werden aangesteld in de plaats van de Melkietische Hiërarchen (uitgezonderd in Alexandrië).  De lokale Kerk werd onderworpen aan een uitheemse Kerk.  Er ontstond een soort “vervreemding” tussen de twee, evenwel zonder dat de eerste haar betrekkingen met Rome verbrak.

 

       Het bewind van de Mammelukken (1250-1516) stelde niet alleen een einde aan de Frankische bezittingen in het Oosten, maar was ook een zware periode voor de christelijke Gemeenschappen : vervolgingen, vernielingen, moordpartijen waren hun lot.  Onder de heerschappij van deze “gekroonde slaven” (als slaven van de koning hadden zij de macht gegrepen), liep het Christendom geweldig terug : hele gebieden werden geïslamiseerd of ontvolkt.  Toch bleef een “kleine rest” zijn zending voortzetten, die meer en meer het kenmerk kreeg van getuigenis voor en trouw aan Christus.  Het ontbrak er niet aan belijders en martelaren.

 

       De Ottomaanse overheersing (1516-1918) was niet zachtaardiger, tenminste tot in de XVII-de eeuw.  Reeds lang voordien had men opgehouden de christenen als “beschermden” aan te zien, om nu alleen nog oog te hebben voor hun hoedanigheid van “ongelovigen”.  De Pasja’s hadden alle vrijheid van handeling ten opzichte van deze klasse van onderhorigen, die over geen enkel wettelijk verdedigingsmiddel beschikten.

 

       Voortaan stond geheel het Oosten onder één enkel gezag, dat van de Sultan.  Deze wist de toestand uit te buiten. Konstantinopel zou niet alleen de politieke hoofdstad worden van een uitgestrekt imperium, maar ook de godsdienstige hoofdstad van het Oosten, zoals Rome dat was voor het Westen.  De Oecumenische Patriarch werd aangezet om gezag uit te oefenen over de Melkietische Hiërarchen. Hun aanstelling en soms ook hun verkiezing hingen voortaan af van de Fanar. De hiërarchie van Alexandrië en van Jeruzalem werd volledig gehelleniseerd. Vanaf 1534 tot op heden werden al hun bisschoppelijke zetels aan Grieken toegewezen. Beide Patriarchaten werden zo van de “Catholica” afgescheiden, om het schisma te omhelzen. Het hellenisme had geen vat op Antiochië, waar de Patriarchen gekozen werden uit de inlandse clerus. Het merendeel van hen bleef banden met Rome onderhouden. Het Patriarchaat week niet af van zijn geloofsovertuiging, zelfs niet wanneer een of ander van zijn hiërarchen gunstiger stond tegenover Konstantinopel dan tegenover Rome. Een Kerk bestaat niet alleen uit haar hoofd, zij omvat ook haar bisschoppen, de clerus en het volk. De gelovigen dragen in zichzelf een zin voor de waarheid, een betrouwbaar instinct dat hen toelaat de waarheid te onderscheiden. Is men ooit op het idee gekomen om, uit het feit dat Paus Honorius naar het monothelisme overhelde, af te leiden dat de Westerse Kerk deze ketterij had omhelsd?

 

       De mislukking van de poging tot hereniging, gedaan te Firenze, was een les voor Rome. De vestiging van een uitdrukkelijke gemeenschap met een Oosterse Kerk moest door de basis geschieden en niet door de top. In een eerste stadium stelden missionarissen (Jezuïeten, Kapucijnen, Karmelieten, Franciskanen) zich in dienst van de lokale hiërarchie en werkten ermee samen. Geestelijke herders, die niet in uitdrukkelijke gemeenschap waren met Rome, moedigden hun kudde aan om zich tot de missionarissen te richten. Het volk voelde de noodzaak aan van een dieper inzicht in het traditionele geloof dat het beleefde ondanks duizend jaren onderdrukking. Het trachtte ernaar dit te vinden bij de geestelijken die beter onderlegd waren dan hun eigen clerus.  Van beide zijden was men er zeker van hetzelfde geloof te delen.  Een deel evenwel, aangetrokken door de faam van de Westerse cultuur en haar beschaving, nam in zijn geheel alles over van wat de Latiniteit aanbracht. Zo zag men na enkele tientallen jaren een nieuwe wijze verschijnen om het traditionele geloof op te vatten. De gedraging van deze nieuwe “katholieken” werd, door een aan haar verleden gehechte groep, beschouwd als een verraad en een aantasting van het voorvaderlijk geloof. Zo werd de gemeenschap in het geloof met de “Catholica”, die in het Patriarchaat van Antiochië nooit had opgehouden te bloeien, op het spel gezet en zagen twee uiteenlopende opvattingen erover het licht.  De Antiocheense eigenheid ging teloor. Een deel van de gelovigen helde over naar Byzantium en werd meer Konstantinopolitaans dan Antiocheens. Het andere deel neigde over naar Rome, met een verhouding die meer Romeins was dan trouw aan het geloof van de lokale Kerk. Het kwam zover dat bij de dood van Patriarch Athanasios in 1724, een dubbele opvolging van Patriarchen werd ingesteld, de een orthodox en de andere katholiek. En zo is het op onze dagen nog.                                                                    

* * * * * * *

       Een fatale datum was dat jaartal 1724 : twee parallelle hiërarchieën, twee zustergemeenschappen die verscheurd geraken, onder het welwillend oog van de Turken, die de patriarchale en de bisschoppelijke zetels toekennen aan de meestbiedenden. Martelaren en belijders ontbreken niet, noch bij de een noch bij de ander. Twee uiteenlopende wegen bepalen voortaan het eigen lot van twee Kerken, de katholieke en de orthodoxe.

 

       De eerste, waarover wij het hier willen hebben, namelijk de Grieks-Melkietische Katholieke Kerk, richt zich inwendig in. Nieuwe Kloosterorden worden gesticht, een clerus, opgeleid in Rome, verstrekt het onderwijs in nieuw opgerichte scholen. Een seminarie werd geopend te Aïn Traz in 1811.  Ondanks een groeicrisis, die zou duren tot op het einde van de XVIII-de eeuw, en die vooral te wijten was aan de onderlinge wedijver van de nieuwe religieuze congregaties, vond de Melkietische Kerk haar evenwicht.  Lokale concilies voorzagen haar van een degelijke organisatie, zodat zij zich kon ontwikkelen en uitbreiden.  De voorzienigheid bezorgde haar in de XIX-de eeuw twee vooraanstaande Patriarchen : Maximos Mazloum (1833-1855) en Gregorios Yosef (1864-1897).

 

       Drie jaar na zijn verkiezing vervolmaakte Mazloum de canonische wetgeving voor zijn Kerk (Concilie van Aïn Traz in 1835 en van Jeruzalem in 1849). Hij breidde zijn pastorale bekommernis uit tot het Patriarchaat van Alexandrië, want om de vervolgingen vanwege de orthodoxen te ontvluchten, waren veel katholieken uit Syrië en Libanon naar Egypte uitgeweken. Mazloum stelde voor hen een bisschop aan, zond hun priesters, en voorzag de nieuwe parochies van kerken en van liefdadigheidsinstellingen. Hetzelfde deed hij voor het Patriarchaat van Jeruzalem.  Mazloum is echter vooral bekend omdat hij de bewerker geweest is van de erkenning door de sultan van de volledige onafhankelijkheid van zijn Kerk, zowel op burgerlijk als op kerkelijk gebied (1848).

 

       Het lange patriarchaat van Gregorios Yosef was bijzonder roemrijk en vruchtbaar.  33 jaar lang, terwijl hij zijn handelingen afwoog aan hun mogelijke invloed op het hoogst belangrijke werk voor de eenheid van de Kerken, beijverde hij zich om zijn groots opzet voor de wederopbloei van zijn Kerk te verwezenlijken, in de zin van de zuivere Oosterse traditie. Vandaar zijn standpunt op Vaticanum I, waarbij hij zich verzette tegen de opportuniteit van de dogmaverklaringen over het Primaatschap en over de onfeilbaarheid van de Paus, in de zin waarin zij door de meerderheid van de Concilievaders werden begrepen. Hij bestreed het Protestantisme dat met kracht in het Oosten binnendrong.  Daartoe stichtte hij de patriarchale colleges van Beyrouth (1865) en van Damascus (1875). In 1866 heropende hij het seminarie van Aïn Traz, maar lag vooral ten grondslag aan het Sint-Annaseminarie van Jeruzalem (1882).  Zijn deelname aan het Eucharistisch Congres van Jeruzalem in 1893 was ook niet onopgemerkt.  De ideeën die hij naar voor bracht waren niet vreemd aan de opstelling van de Encycliek “Orientalium Dignitas”, een waarachtig handvest voor de Oosterse Kerken, waarin Paus Leo XIII de meest volstrekte eerbied oplegde voor de rechten van de Patriarchen en voor de Oosterse kerkelijke orde, en zodoende de geest van de meerderheid der Latijnse missionarissen op meer dan één punt verbeterde.

 

       Wij herinneren ons allen de grote persoonlijkheid van Patriarch Maximos IV Saigh (1947-1967) en zijn optreden op Vaticanum II. Terecht zei men van hem dat hij een van de Vaders was die het Concilie hebben getekend.  Het Concilie heeft inderdaad aan hem heel wat van zijn richtinggevende ideeën te danken. Sommigen zullen, gelet op het geringe aantal gelovigen van zijn Kerk, zijn stoutmoedigheid allicht wat al te vrijpostig hebben gevonden.  Maar hij was er zich van bewust dat hij sprak in de naam van de “afwezige broeder”, de grote Orthodoxe Kerk, die dan toch niet minder dan tweehonderd miljoen gelovigen telt. Hij putte zijn kracht en zijn vuur uit de opvatting die hij had over zijn Kerk, als brug tussen Rome en de Orthodoxie. 

 

       Sinds zijn verheffing op de patriarchale troon op 22 november 1967, volgt zijn opvolger, Z.G. Maximos V Hakim, huidig hoofd van de Melkietische Kerk, de koers van zijn voorganger, terwijl hij een bijzondere aandacht besteedt aan het probleem van de Diaspora van zijn Kerk.  Inderdaad, meer dan de helft van de Melkieten leven buiten de grenzen die aan ons Patriarchaat zijn opgelegd.

 

                            De Kathedraal van Firenze,   

            waarvan de eerste steen gelegd werd in 1206. 

           

             Leo XIII, de Paus van de Encycliek “Orientalium Dignitas”.

             Op het Patriarchaat van Jeruzalem in 1964,

             Erkent Z.H. Athenagoras dat Z.G. Maximos IV,

             op het Tweede Vaticaans Concilie “spreekt

             in de naam van zijn afwezige broeders”.